In het Rijk van Nijmegen kan je hele mooie wandeltochten maken. Daar is iedereen het wel over eens. Al eerder heb ik door het natuurgebied De Bruuk, over de Sint Jansberg en door de eeuwen oude wouden van het Reichswald gelopen. Tijdens de GPS wandeling die ik op zaterdag 23 mei 2009 heb gemaakt krijg je deze drie schitterende parels van het Rijk van Nijmegen in volle glorie te zien. Ik had de route al in de winter uitgezet, maar net zo lang gewacht met lopen totdat de orchideeën in het natuurgebied De Bruuk in bloei zouden staan. Er staan er in dit natuurgebied hele velden mee vol! Een prachtig gezicht om deze tijd in het voorjaar! De wandeling start van af het parkeerterrein bij de witte kerk in het centrum van het dorpje De Horst. Het dorpje wordt al snel verlaten en wandel je over een onverharde landweg tussen de weilanden door. Hier en daar staat er een groepje bomen langs het pad. Het is een zeer rustig gebied. De vogels maken nog het meeste lawaai, maar zo hoort het nu eenmaal te zijn in de echte natuur. Al snel wordt het natuurreservaat De Bruuk bereikt.
De Bruuk is een natuurgebied ter grootte van ongeveer 80 hectare. Het gebied behoort tot de oudste van Nederland. Deze ligt gelegen ten zuiden van Groesbeek. Er bevinden zich natte graslanden, wilgenbosjes en moerassen. Iedereen die van vlinders houdt kan in en rond De Bruuk zijn hart ophalen. Door het afwisselend terrein met wilgenstruwelen, graslanden en rietlanden, ligt het gebied als een kom tussen de twee stuwwallen van het Reichswald en Groesbeek in, en ontvangt hierdoor veel schoon kalkrijk kwelwater. Dit kwelwater zorgt ervoor dat op sommige plekken verschillende waardevolle planten kunnen groeien. De Bruuk vormt een uiterst kwetsbaar gebied dat bedreigd wordt door vermesting, verdroging, verzuring en versnippering. Speerpunten in het beleid ter bescherming van het gebied zijn het veiligstellen van de waterhuishouding om vermesting via landbouwwater tegen te gaan, het versneld afvoeren van zuur regenwater en het voor de lange termijn veilig stellen van de kwelwaterstromen door verontdieping van de watergangen. Zo kan het kostbare kwelwater zo lang mogelijk in het gebied blijven Naast gras- en hooilanden zijn in De Bruuk ook rietruigten, wilgenstruwelen en eiken-berkenbosjes aanwezig. Door deze afwisseling zijn er niet alleen talrijke planten, maar ook veel insecten, vlinders, amfibieën en reptielen, zoals de Ringslang, te ontdekken. Zij vinden hier een uitstekende omgeving om te schuilen, te broeden en voedsel te vinden. De Bruuk is bij natuurliefhebbers in de weide omgeving goed bekend. Ik zag er verschillende mensen die met een boekje en fototoestel in de hand de bijzondere planten aan het observeren waren en notities en foto's hier van maakten. Mijn oog en oor werden gestreeld door de vele velden met bloeiende orchideeën en luid kwakende kikkers die aan het paren waren. Werkelijk een heel prachtig natuurgebied om door heen te wandelen, en zo omstreeks eind mei en begin juni op zijn mooist!
Na De Bruuk gaat de wandeling over een fietspad verder de richting op van de Sint Jansberg. Ook al weer zo'n heel mooi natuurgebied, al hoewel met een totaal ander karakter. Je ziet het al direct. Het landschap begint te glooien. Er werd al druk gehooid. Een tractor was bezig om het lange gras in de weilanden te maaien. Het gemaaide gras lag in lange gebogen richels over de glooiende velden. Met dit warme voorjaarsweer zal gras het wel snel droog genoeg zijn, om als hooi binnen te worden gehaald. Een prachtig landschap om door heen te wandelen. Ik had het zeer naar mijn zin. De route betreed de bossen van de Sint Jansberg. Het lijkt hier of je ergens in de Ardennen aan het wandelen bent! De wandeling gaat langs de rand van een steil dal omlaag. Er zijn overal leuningen en trappen aangelegd om te voorkomen dat de argeloze wandelaar naar beneden zou duikelen. De bodem van het dal bestaat uit een moerasachtige natuur, waardoor een klein beekje stroomt. Wat is het hier toch mooi on-Nederlands! Uiteindelijk komt het beekje uit in twee achter elkaar liggende meertjes. In het verleden heb ik hier ijsvogeltjes zien vliegen. Nu kreeg ik er niet een te zien. Ik was niet de enige wandelaar die deze wondermooie route door de Sint Jansberg heeft ontdekt. Tijdens het fotograferen en filmen van het prachtige landschap kwamen er meerdere wandelaars voorbij gelopen. Na de twee meertjes loopt de route over een laag gelegen pad verder door naar de grens met Duitsland.
Na het oversteken van en verharde weg wordt door een klaphek de wouden van het Reichswald betreden. Ik spreek hier bewust over wouden, in de plaats van bossen, want deze indruk maken de onafzienbare dichte naald- en loofbomen iedere keer weer op mij. Delen van dit woud hebben nog de oerstructuur van het eeuwen oude Ketelwald wat hier vroeger heeft gelegenen, waar het hedendaagse Reichswald een restant van is. Toen de Romeinen zich in de eerste eeuw voor Chr. in het grensgebied langs de Rijn vestigden, lag tussen Nijmegen, Xanten en Goch een groot en dicht woud, waarin eiken en beuken de meest voorkomende boomsoorten waren. De Romeinen hebben hier tijdens hun verblijf, dat tot in de vijfde eeuw na Chr. duurde, veel sporen nagelaten. Zij hebben een groot deel van het bos gekapt voor bouwmateriaal en brandstofvoorziening van hun woningen, legergebouwen en baden. Maar heel veel hout is gebruikt voor het stoken van de grote pannen- en pottenbakkerijen die in Berg en Dal bij de Holdeurn en op Heilig Landstichting stonden. Een ander opzienbarend teken van de Romeinse cultuur in deze streek is het aquaduct dat water van aanvoerde van de bronnen bij Berg en Dal naar hun legerplaatsen. Men heeft een mogelijk tracé van dit aquaduct gereconstrueerd: vanaf de Oude Kleefsebaan door het Kerstendal via de Meerwijkselaan naar het Kops Plateau en Hunerberg in Nijmegen. Verder zijn er in de tegenwoordige gemeente Groesbeek veel Romeinse bodemvondsten gedaan die erop wijzen dat zij in het bosgebied jaagden, er ontginningen aanlegden en er heiligdommen voor hun goden oprichtten.Verondersteld wordt ook vaak dat de Romeinen de tamme kastanje in deze streken hebben geïntroduceerd vanuit Zuid-Europa. In aardewerkvondsten zijn evenwel tot nu toe weinig sporen aangetroffen die erop wijzen dat zij de kastanje in hun voedingspakket hadden.Na de Romeinse tijd kon het bos zich geleidelijk herstellen. De Duitse vorsten kwamen hier vaak jagen als zij op hun palts(versterkt buitenverblijf met kerk en enkele hoeven) in Nijmegen verbleven. Vooral Lodewijk de Vrome maakte gebruik van deze locatie. Maar het gebied bleef op de kleine stedelijke centra na vrijwel onbewoond; uit de periode tot omstreeks de elfde eeuw zijn nauwelijks bodemvondsten gedaan.In enkele middeleeuwse oorkonden wordt het uitgestrekte bosgebied wel aangeduid met Ketila of Kelkt, het woud dat zich uitgestrekte tussen Nijmegen, Xanten en Goch. Die naam kan te maken hebben met de betekenis van ‘ketel’ als vruchtbare laagte, maar ook met de Keltische term ketila (wat ‘vee’ of ‘runderen’ betekent, vergelijk het Engelse cattle). Deze laatste betekenis zou niet onlogisch zijn omdat de meeste bossen in de Middeleeuwen (maar ook in de tijd daarna) als weidebossen dienden.
In de vijftiende eeuw werd het Ketelwald, na vele twisten tussen de edellieden uit de omgeving, in twee delen opgesplitst. Het grootste deel dat ongeveer ten zuiden van de huidige Gelders-Duitse grens ligt, werd het Ober-rijkswald of Overwald genoemd, het stuk ten zuiden en zuidoosten van Nijmegen werd het Nederrijkswald. Er werd roofbouw op de bossen gepleegd. Er moest wat gebeuren, vond men toen al, want anders zou het woud definitief kunnen verdwijnen. In de zestiende eeuw werden de Staten van Gelderland eigenaar van alle hertogelijke domeinen. De Gelderse Rekenkamer (ingesteld door Karel V in 1559) kreeg het beheer over de domeinen, waaronder het Nederrijkswald. Het Oberreichswald bleef onder de hertog van Kleef, maar het bosbeheer werd daar wel steeds meer gecentraliseerd in Brandenburg. In dat kader kondigde keurvorst Friedrich Wilhelm in 1649 de eerste Jagd- und Forstordnung für das Herzogtum Kleve af. Ondanks het feit dat het Duitse gedeelte in de Middeleeuwen sterk in oppervlakte gereduceerd was door de vele ontginningen aan de zuid- en oostzijde, werd in het overblijvende woud van circa 5000 hectare een beter beheer gevoerd dan het Gelderse Nederrijkswald. Nieuwe aanplanten in het Nederrijkswald mislukten vaak doordat de toenmalige kennis van bosbouw en grondbewerking nog heel beperkt was. Aan een beter beheer werd wel gewerkt. De Staten van Gelderland kondigden vele plakkaten af tegen houtdiefstallen en illegaal weiden. Tot ver in de negentiende eeuw was, zowel in het Nederlandse als het Duitse deel van het oude Ketelwald, vrijwel uitsluitend gericht op de houtproductie. Alleen de heren Statenleden uit Arnhem en Nijmeegse notabelen mochten er jagen op grof wild. Daarnaast hebben het woud en de belendende heidevelden steeds gefunctioneerd als weidegronden, en voor het steken van heideplaggen voor de potstallen van de boeren. Het sprokkelen van dood hout was toegestaan aan de in- en aanwonende bevolking. Wat er in het Nederrijkswald en Reichswald aan verfraaiing werd gedaan kwam geheel voor rekening van de particuliere grootgrondbezitters. Vooral in het Nederrijkswald gaf de Rekenkamer stukken grond uit in erfpacht, waarop de nieuwe eigenaren een boerderij, landhuis of zomerwoning lieten bouwen. Ze legden in de achttiende eeuw sterrenbossen aan (Watermeerwijk en Uilenput) aan en markeerden de wegen op hun bezittingen met lanen van beuk, linde en robinia. Tegenwoordig is het beheer in het Reichswald steeds meer gericht op natuurbehoud. Er is een plan in uitvoering om het Reichswald via een nieuw aan te leggen ecologische verbindingszone te koppelen aan de bossen van Groesbeek. Het wild kan zich dan vrij door deze twee grote natuurgebieden verplaatsen.
Je kunt hier in het Reichswald heerlijk wandelen. Ik had weer een nieuwe route door dit deel uitgezet, waar ik nog niet eerder was geweest. Het leek op de topografische kaart een tamelijke kaarsrechte weg te zijn maar in werkelijkheid was het een smal bospad wat zich dan omhoog, en dan weer omlaag, over de dicht begroeide heuvels, of door de weelderig begroeide dalen in het woud, slingerde. Werkelijk heel mooi! Ik kon mij lekker uitleven met het trainen in het belopen van hellingen, om over enkele weken voldoende conditie te hebben, voor een vakantie in de bergen van Zwitserland. In het Reichswald wordt nog veel gejaagd. Het woud is voorzien van vele wildrasters. Soms is dit best wel lastig, omdat je daardoor onverwacht niet verder kan, en je weg versperd ziet door een omrastering. Je moet dus zorgen dat je de klaphekken in de wildraster weet te vinden. Ondertussen heb ik daar al wat ervaring mee en weet mijn weg goed te vinden. Op een gegeven moment verlaat je door zo'n klaphek het woud, om langs de rand van het Reichswald verder te gaan. Ook dit gedeelte is heel mooi omdat je hier door een overgangsgebied loopt, tussen de hoge stuwwal van het Reichswald, en de naast gelegen lage vochtige open velden. Maar we moeten uiteindelijk toch ook weer terug naar de auto, die in De Horst geparkeerd staat. De wandeling verlaat het Reichswald en keert over verharde wegen weer terug. Tenminste, het grootste deel van de route is verhard, maar waar je de grens weer oversteekt, loop je een stuk over een met grenspalen geblokkeerde onverharde grintweg, met vele diepe vol regenwater gelopen putten. Ondanks dat de grenzen verdwenen zijn, zie je aan de wegen nog heel goed waar de grens loopt. Ook nu nog moet je met de auto soms een heel stuk om rijden, om een afstand van hemelsbreed niet meer dan honderd meter over de grens, te overbruggen. Maar als wandelaar heb je daar natuurlijk helemaal geen last van. In een weiland stonden een paar hele jonge pasgeboren paardjes. De moederpaarden drentelden er zenuwachtig omheen, om het jonge onschuld tegen deze grote Hollandse wandelaar met rugzak te beschermen. Wat een schattig gezicht! Dat moet op de foto en video! En dan komt de auto in het dorpje De horst weer in zicht. Even nog een paar foto's nemen van de mooie witte kerk. De stand van de zon is er nu beter voor dan in de ochtend. En dan weer ras naar huis voor een verkoelend glas bier en een warme douche!
De Bruuk is een natuurgebied ter grootte van ongeveer 80 hectare. Het gebied behoort tot de oudste van Nederland. Deze ligt gelegen ten zuiden van Groesbeek. Er bevinden zich natte graslanden, wilgenbosjes en moerassen. Iedereen die van vlinders houdt kan in en rond De Bruuk zijn hart ophalen. Door het afwisselend terrein met wilgenstruwelen, graslanden en rietlanden, ligt het gebied als een kom tussen de twee stuwwallen van het Reichswald en Groesbeek in, en ontvangt hierdoor veel schoon kalkrijk kwelwater. Dit kwelwater zorgt ervoor dat op sommige plekken verschillende waardevolle planten kunnen groeien. De Bruuk vormt een uiterst kwetsbaar gebied dat bedreigd wordt door vermesting, verdroging, verzuring en versnippering. Speerpunten in het beleid ter bescherming van het gebied zijn het veiligstellen van de waterhuishouding om vermesting via landbouwwater tegen te gaan, het versneld afvoeren van zuur regenwater en het voor de lange termijn veilig stellen van de kwelwaterstromen door verontdieping van de watergangen. Zo kan het kostbare kwelwater zo lang mogelijk in het gebied blijven Naast gras- en hooilanden zijn in De Bruuk ook rietruigten, wilgenstruwelen en eiken-berkenbosjes aanwezig. Door deze afwisseling zijn er niet alleen talrijke planten, maar ook veel insecten, vlinders, amfibieën en reptielen, zoals de Ringslang, te ontdekken. Zij vinden hier een uitstekende omgeving om te schuilen, te broeden en voedsel te vinden. De Bruuk is bij natuurliefhebbers in de weide omgeving goed bekend. Ik zag er verschillende mensen die met een boekje en fototoestel in de hand de bijzondere planten aan het observeren waren en notities en foto's hier van maakten. Mijn oog en oor werden gestreeld door de vele velden met bloeiende orchideeën en luid kwakende kikkers die aan het paren waren. Werkelijk een heel prachtig natuurgebied om door heen te wandelen, en zo omstreeks eind mei en begin juni op zijn mooist!
Na De Bruuk gaat de wandeling over een fietspad verder de richting op van de Sint Jansberg. Ook al weer zo'n heel mooi natuurgebied, al hoewel met een totaal ander karakter. Je ziet het al direct. Het landschap begint te glooien. Er werd al druk gehooid. Een tractor was bezig om het lange gras in de weilanden te maaien. Het gemaaide gras lag in lange gebogen richels over de glooiende velden. Met dit warme voorjaarsweer zal gras het wel snel droog genoeg zijn, om als hooi binnen te worden gehaald. Een prachtig landschap om door heen te wandelen. Ik had het zeer naar mijn zin. De route betreed de bossen van de Sint Jansberg. Het lijkt hier of je ergens in de Ardennen aan het wandelen bent! De wandeling gaat langs de rand van een steil dal omlaag. Er zijn overal leuningen en trappen aangelegd om te voorkomen dat de argeloze wandelaar naar beneden zou duikelen. De bodem van het dal bestaat uit een moerasachtige natuur, waardoor een klein beekje stroomt. Wat is het hier toch mooi on-Nederlands! Uiteindelijk komt het beekje uit in twee achter elkaar liggende meertjes. In het verleden heb ik hier ijsvogeltjes zien vliegen. Nu kreeg ik er niet een te zien. Ik was niet de enige wandelaar die deze wondermooie route door de Sint Jansberg heeft ontdekt. Tijdens het fotograferen en filmen van het prachtige landschap kwamen er meerdere wandelaars voorbij gelopen. Na de twee meertjes loopt de route over een laag gelegen pad verder door naar de grens met Duitsland.
Na het oversteken van en verharde weg wordt door een klaphek de wouden van het Reichswald betreden. Ik spreek hier bewust over wouden, in de plaats van bossen, want deze indruk maken de onafzienbare dichte naald- en loofbomen iedere keer weer op mij. Delen van dit woud hebben nog de oerstructuur van het eeuwen oude Ketelwald wat hier vroeger heeft gelegenen, waar het hedendaagse Reichswald een restant van is. Toen de Romeinen zich in de eerste eeuw voor Chr. in het grensgebied langs de Rijn vestigden, lag tussen Nijmegen, Xanten en Goch een groot en dicht woud, waarin eiken en beuken de meest voorkomende boomsoorten waren. De Romeinen hebben hier tijdens hun verblijf, dat tot in de vijfde eeuw na Chr. duurde, veel sporen nagelaten. Zij hebben een groot deel van het bos gekapt voor bouwmateriaal en brandstofvoorziening van hun woningen, legergebouwen en baden. Maar heel veel hout is gebruikt voor het stoken van de grote pannen- en pottenbakkerijen die in Berg en Dal bij de Holdeurn en op Heilig Landstichting stonden. Een ander opzienbarend teken van de Romeinse cultuur in deze streek is het aquaduct dat water van aanvoerde van de bronnen bij Berg en Dal naar hun legerplaatsen. Men heeft een mogelijk tracé van dit aquaduct gereconstrueerd: vanaf de Oude Kleefsebaan door het Kerstendal via de Meerwijkselaan naar het Kops Plateau en Hunerberg in Nijmegen. Verder zijn er in de tegenwoordige gemeente Groesbeek veel Romeinse bodemvondsten gedaan die erop wijzen dat zij in het bosgebied jaagden, er ontginningen aanlegden en er heiligdommen voor hun goden oprichtten.Verondersteld wordt ook vaak dat de Romeinen de tamme kastanje in deze streken hebben geïntroduceerd vanuit Zuid-Europa. In aardewerkvondsten zijn evenwel tot nu toe weinig sporen aangetroffen die erop wijzen dat zij de kastanje in hun voedingspakket hadden.Na de Romeinse tijd kon het bos zich geleidelijk herstellen. De Duitse vorsten kwamen hier vaak jagen als zij op hun palts(versterkt buitenverblijf met kerk en enkele hoeven) in Nijmegen verbleven. Vooral Lodewijk de Vrome maakte gebruik van deze locatie. Maar het gebied bleef op de kleine stedelijke centra na vrijwel onbewoond; uit de periode tot omstreeks de elfde eeuw zijn nauwelijks bodemvondsten gedaan.In enkele middeleeuwse oorkonden wordt het uitgestrekte bosgebied wel aangeduid met Ketila of Kelkt, het woud dat zich uitgestrekte tussen Nijmegen, Xanten en Goch. Die naam kan te maken hebben met de betekenis van ‘ketel’ als vruchtbare laagte, maar ook met de Keltische term ketila (wat ‘vee’ of ‘runderen’ betekent, vergelijk het Engelse cattle). Deze laatste betekenis zou niet onlogisch zijn omdat de meeste bossen in de Middeleeuwen (maar ook in de tijd daarna) als weidebossen dienden.
In de vijftiende eeuw werd het Ketelwald, na vele twisten tussen de edellieden uit de omgeving, in twee delen opgesplitst. Het grootste deel dat ongeveer ten zuiden van de huidige Gelders-Duitse grens ligt, werd het Ober-rijkswald of Overwald genoemd, het stuk ten zuiden en zuidoosten van Nijmegen werd het Nederrijkswald. Er werd roofbouw op de bossen gepleegd. Er moest wat gebeuren, vond men toen al, want anders zou het woud definitief kunnen verdwijnen. In de zestiende eeuw werden de Staten van Gelderland eigenaar van alle hertogelijke domeinen. De Gelderse Rekenkamer (ingesteld door Karel V in 1559) kreeg het beheer over de domeinen, waaronder het Nederrijkswald. Het Oberreichswald bleef onder de hertog van Kleef, maar het bosbeheer werd daar wel steeds meer gecentraliseerd in Brandenburg. In dat kader kondigde keurvorst Friedrich Wilhelm in 1649 de eerste Jagd- und Forstordnung für das Herzogtum Kleve af. Ondanks het feit dat het Duitse gedeelte in de Middeleeuwen sterk in oppervlakte gereduceerd was door de vele ontginningen aan de zuid- en oostzijde, werd in het overblijvende woud van circa 5000 hectare een beter beheer gevoerd dan het Gelderse Nederrijkswald. Nieuwe aanplanten in het Nederrijkswald mislukten vaak doordat de toenmalige kennis van bosbouw en grondbewerking nog heel beperkt was. Aan een beter beheer werd wel gewerkt. De Staten van Gelderland kondigden vele plakkaten af tegen houtdiefstallen en illegaal weiden. Tot ver in de negentiende eeuw was, zowel in het Nederlandse als het Duitse deel van het oude Ketelwald, vrijwel uitsluitend gericht op de houtproductie. Alleen de heren Statenleden uit Arnhem en Nijmeegse notabelen mochten er jagen op grof wild. Daarnaast hebben het woud en de belendende heidevelden steeds gefunctioneerd als weidegronden, en voor het steken van heideplaggen voor de potstallen van de boeren. Het sprokkelen van dood hout was toegestaan aan de in- en aanwonende bevolking. Wat er in het Nederrijkswald en Reichswald aan verfraaiing werd gedaan kwam geheel voor rekening van de particuliere grootgrondbezitters. Vooral in het Nederrijkswald gaf de Rekenkamer stukken grond uit in erfpacht, waarop de nieuwe eigenaren een boerderij, landhuis of zomerwoning lieten bouwen. Ze legden in de achttiende eeuw sterrenbossen aan (Watermeerwijk en Uilenput) aan en markeerden de wegen op hun bezittingen met lanen van beuk, linde en robinia. Tegenwoordig is het beheer in het Reichswald steeds meer gericht op natuurbehoud. Er is een plan in uitvoering om het Reichswald via een nieuw aan te leggen ecologische verbindingszone te koppelen aan de bossen van Groesbeek. Het wild kan zich dan vrij door deze twee grote natuurgebieden verplaatsen.
Je kunt hier in het Reichswald heerlijk wandelen. Ik had weer een nieuwe route door dit deel uitgezet, waar ik nog niet eerder was geweest. Het leek op de topografische kaart een tamelijke kaarsrechte weg te zijn maar in werkelijkheid was het een smal bospad wat zich dan omhoog, en dan weer omlaag, over de dicht begroeide heuvels, of door de weelderig begroeide dalen in het woud, slingerde. Werkelijk heel mooi! Ik kon mij lekker uitleven met het trainen in het belopen van hellingen, om over enkele weken voldoende conditie te hebben, voor een vakantie in de bergen van Zwitserland. In het Reichswald wordt nog veel gejaagd. Het woud is voorzien van vele wildrasters. Soms is dit best wel lastig, omdat je daardoor onverwacht niet verder kan, en je weg versperd ziet door een omrastering. Je moet dus zorgen dat je de klaphekken in de wildraster weet te vinden. Ondertussen heb ik daar al wat ervaring mee en weet mijn weg goed te vinden. Op een gegeven moment verlaat je door zo'n klaphek het woud, om langs de rand van het Reichswald verder te gaan. Ook dit gedeelte is heel mooi omdat je hier door een overgangsgebied loopt, tussen de hoge stuwwal van het Reichswald, en de naast gelegen lage vochtige open velden. Maar we moeten uiteindelijk toch ook weer terug naar de auto, die in De Horst geparkeerd staat. De wandeling verlaat het Reichswald en keert over verharde wegen weer terug. Tenminste, het grootste deel van de route is verhard, maar waar je de grens weer oversteekt, loop je een stuk over een met grenspalen geblokkeerde onverharde grintweg, met vele diepe vol regenwater gelopen putten. Ondanks dat de grenzen verdwenen zijn, zie je aan de wegen nog heel goed waar de grens loopt. Ook nu nog moet je met de auto soms een heel stuk om rijden, om een afstand van hemelsbreed niet meer dan honderd meter over de grens, te overbruggen. Maar als wandelaar heb je daar natuurlijk helemaal geen last van. In een weiland stonden een paar hele jonge pasgeboren paardjes. De moederpaarden drentelden er zenuwachtig omheen, om het jonge onschuld tegen deze grote Hollandse wandelaar met rugzak te beschermen. Wat een schattig gezicht! Dat moet op de foto en video! En dan komt de auto in het dorpje De horst weer in zicht. Even nog een paar foto's nemen van de mooie witte kerk. De stand van de zon is er nu beter voor dan in de ochtend. En dan weer ras naar huis voor een verkoelend glas bier en een warme douche!
Downloaden GPS track van de route klik hier
Meer wandelingen op de website http://www.jvanderperk.nl/
2 reacties:
Bedankt voor de mooie route. Ondanks het dreigende weer hebben we hem toch gelopen, we hebben er geen spijt van!!
Ook bedankt. Werkelijk schitterende wandeling. De 19 km was wel echt de limiet voor ons met al die beklimmingen. Sommige paden in het reichswald waren flink overgroeid, een hele uitdaging en af en toe heel onwerkelijk.
Een reactie plaatsen